Straat van Hormuz zorgt voor energieschok in Azië

Markten & Beleggingen - 24 maart 2026

Straat van Hormuz zorgt voor energieschok in Azië

Geschreven door Prof. Dr. Jacky Tang - Chief Investment Officer EM, Wolf Kisker - Senior Investment Strategist, Swati Bashyam - Investment Officer APAC & Kaniz Fatema Rupani - Investment Strategist

Is uw portefeuille nog aangepast aan de economische realiteit?
Is uw portefeuille nog aangepast aan de economische realiteit?

1. Inleiding

De recente escalatie van het conflict in het Midden-Oosten, met verstoringen rond de Straat van Hormuz, heeft een van ’s werelds meest kritieke energieknelpunten opnieuw onder de aandacht gebracht als een belangrijke macro-economische risicofactor. Ongeveer een derde van de Aziatische olie en bijna een kwart van haar LNG-import passeert via deze route - een systemische kwetsbaarheid voor de regio.

De scherpe stijging van de energieprijzen, veroorzaakt door militaire acties en toenemende geopolitieke onzekerheid, vormt geen tijdelijk event maar een structurele schok die stagflatoire risico’s creëert voor de APAC-economieën. Ook al gaan we in ons basisscenario niet uit van een langdurige sluiting van de zeestraat, de situatie verplicht beleidsmakers om energiezekerheid, handelsbalansen, inflatietrajecten en monetaire respons opnieuw onder de loep te nemen.

De impact varieert sterk per land en is afhankelijk van energieafhankelijkheid, prijsregimes en beleidsruimte. In grote lijnen geldt: een stijging van 10% in de olieprijs leidt doorgaans tot een toename van inflatie tussen 0,1 en 0,5 procentpunten, met een vergelijkbare impact op de bbp-groei. Sommige landen beschikken over buffers zoals gereguleerde prijsmechanismen, grote deviezenreserves of een gediversifieerde energiemix; andere kampen met beperkte marges en dus een hogere gevoeligheid.

2. Waarom is de APAC-regio extra blootgesteld aan deze schok?

In het kort: Azië is dan wel het centrum van de wereldwijde energievraag, maar niet van het energie-aanbod. Deze asymmetrie staat vandaag centraal in de uitdagingen.

Vier Aziatische economieën – China, India, Japan en Zuid-Korea – vertegenwoordigen samen het merendeel van de olie en LNG die doorgaans door de Straat van Hormuz passeren.
Japan en Zuid-Korea zijn structureel het meest kwetsbaar, aangezien ongeveer 80 tot 90% van hun primaire energie afkomstig is uit geïmporteerde fossiele brandstoffen. China en India zijn relatief wel minder blootgesteld, maar hun omvang betekent dat zelfs bescheiden verstoringen aanzienlijke gevolgen hebben voor wereldwijde evenwichten en prijzen.

Een eenvoudige manier om de situatie samen te vatten:

  • Bovenaan de risicoschaal: Japan en Zuid-Korea
    Grote afhankelijkheid van import, sterke afhankelijkheid van ruwe olie en LNG uit het Midden-Oosten, zeer beperkte binnenlandse productie.
  • In het midden: India en China
    Eveneens grote importeurs, maar met meer gediversifieerde bronnen – met name Rusland, Centraal-Azië en andere maritieme aanvoerroutes – en met een breder arsenaal aan economische beleidsinstrumenten om de schok op te vangen.
  • Onderaan de schaal: Taiwan en Zuid-Oost Azië (ASEAN)
    Iets meer gediversifieerde aanvoerstructuren, soms met gedeeltelijke binnenlandse bronnen, maar nog steeds netto-importeurs en dus kwetsbaar voor stijgende prijzen en verstoringen van het zeetransport.

Kortom, het huidige conflict met Iran werkt rechtstreeks door op de handelsbalansen, de inflatie, het beleid van de centrale banken en uiteindelijk op de winsten in energiegevoelige sectoren. Wat de regionale aandelenmarkten betreft, heeft de verstoring van olie- en LNG-stromen via de Straat van Hormuz - in combinatie met de scherpe stijging van de energieprijzen - opnieuw een brede inflatoire impuls gecreëerd. De directe blootstelling aan upstream-energie in de meeste APAC-indices blijft dan wel beperkt, maar de regio ondervindt de effecten via hogere invoerkosten, druk op de marges in energie-intensieve sectoren en de evolutie van de verwachtingen rond het monetaire beleid.

Gezien de heterogeniteit van potentiële winnaars en verliezers binnen de APAC-regio, is een gedetailleerde analyse per economie – Japan, Zuid-Korea, China, India, Taiwan en Zuid-Oost-Azië – aangewezen.

3. Macro-economische analyse van de belangrijkste economieën in de APAC regio

Japan

Illustratieve afbeelding

De energieafhankelijkheid van Japan ten opzichte van het Midden-Oosten blijft aanzienlijk: bijna 95% van de ruwe olie is afkomstig uit deze regio, wat het land tot een van de meest voor de hand liggende macro-economische verliezers maakt in het geval van een langdurige verstoring van de Straat van Hormuz. Een duurzame stijging van de prijzen van olie en LNG zou zowel de handelsbalans van het land als zijn importfactuur verslechteren, waardoor het risico op kosten-inflatie opnieuw opduikt op een moment dat bijzonder gevoelig is voor de Bank of Japan (BoJ). Die probeert de situatie namelijk net te normaliseren na jaren van uiterst soepel monetair beleid; de stijging van de prijs van ingevoerde energie bemoeilijkt de afweging tussen steun aan de groei en beheersing van de inflatie.

Dat gezegd zijnde lijken de bevoorradingsrisico’s op korte termijn beperkt: grote leveranciers zoals de Verenigde Arabische Emiraten en Saoedi-Arabië kunnen een deel van hun energie-export omleiden via alternatieve pijpleidingen, en de strategische reserves van Japan dekken meer dan 250 dagen consumptie. Niettemin zou een langdurige sluiting van de Straat een aanzienlijke uitdaging vormen. Volgens ramingen van analisten zou een stijging van 10% van de ruwe-olieprijzen het reële bbp na één jaar met 0,1 procentpunt verminderen, doordat de verslechtering van de handelsvoorwaarden het reële inkomen aantast en de binnenlandse vraag afremt. Tegelijkertijd verwacht het model een toename van 0,12 procentpunten in de onderliggende inflatie (kern-CPI) na één jaar, wat de directe impact weerspiegelt van de stijging van de energiekosten.

Zuid-Korea

Hoewel Zuid-Korea minder afhankelijk is dan Japan van olie- en gasimporten, blijft het land toch geconfronteerd met een grote uitdaging op het vlak van energiezekerheid. Meer dan 60% van de import van olie en olieproducten en ongeveer 35% van de LNG-aanvoer zijn afkomstig uit de Golfregio. Hoewel het land beschikt over een substantieel nucleair programma, komt de totale zelfvoorziening niet hoger dan 20% uit.

Analisten schatten dat een duurzame stijging van 10% in de olieprijzen historisch ongeveer 0,2 procentpunten toevoegt aan de inflatie, terwijl de groei in vergelijkbare mate afneemt. De overheid heeft al gereageerd door de benzineprijzen te plafonneren en de belastingen op brandstoffen te verlagen. Op korte termijn zou het monetair beleid stabiel moeten blijven, waarbij de centrale bank prioriteit geeft aan de stabiliteit van de financiële markten. Een scenario waarin de olieprijs zich echter stabiliseert rond 75 tot 80 USD per vat, zou de inflatieverwachtingen opnieuw kunnen aanwakkeren, met opkomende risico’s van tweederonde-effecten en een mogelijke verstrakking van het beleid van de Bank of Korea - wat de economie aanzienlijk kwetsbaar zou maken voor zowel hogere prijzen als voor elke fysieke verstoring van de aanvoerstromen van ruwe olie en LNG.

China

Vanuit macro-economisch perspectief is China’s blootstelling aan risico eerder genuanceerd. Hoewel het land een belangrijke koper is van olie en LNG uit het Midden-Oosten - een aanzienlijk deel van deze stromen loopt normaal via Hormuz - is de energiemix er veel diverser dan die van Japan of Zuid-Korea. Olie en gas vertegenwoordigen ongeveer een kwart van de totale energiemix. Het land beschikt over grote binnenlandse steenkoolreserves, evenals een eigen nationale olie- en gasproductie.

Daarnaast profiteert China van invoer via pijpleidingen uit Centraal-Azië en Rusland, evenals van toenemende aankopen van Russische olie die per schip wordt aangevoerd. Bovendien heeft het land aanzienlijke strategische oliereserves opgebouwd, geschat op ongeveer honderd dagen import, wat een belangrijke buffer vormt. De recente stijging van de producentenprijzen, van –1,4% naar –0,9% jaar-op-jaar, illustreert dat het land geleidelijk uit een periode van industriële deflatie klimt. Analisten benadrukken dat een stijging van de olieprijzen zelfs zou kunnen bijdragen aan de normalisering van de producentenprijsinflatie (PPI).

Illustratieve afbeelding

Een stijging van 50% van de olieprijzen zou de PPI bijvoorbeeld kunnen doen uitkomen rond 3%, een niveau dat beleidsmakers als reflatoir en niet ontwrichtend zouden kunnen beschouwen. Wat de consumptieprijzen betreft, blijft de impact beperkt - ongeveer 0,1 procentpunt voor elke stijging van 10% in de ruwe-olieprijs. Het Chinese bbp-groeidoel, tussen 4,5% en 5% voor 2026, lijkt op dit moment haalbaar dankzij een proactief begrotingsbeleid en verwachtingen van een gericht en gematigd monetair beleid.

De renminbi zou structureel ondersteund moeten worden door de relatief lage energie-intensiteit van China, wat pleit voor een geleidelijke appreciatie tegenover de Amerikaanse dollar. Een ander beleidsmatig aspect dat de aandacht verdient, is dat energiezekerheid al jarenlang een strategische prioriteit vormt. Deze episode kan de investeringen nog versterken in binnenlandse productie, opslag, hernieuwbare energie en kernenergie - thema’s die op een meerjarige horizon bepaalde bedrijven binnen infrastructuur en apparatuur kunnen ondersteunen.

India

Illustratieve afbeelding

India is daarentegen duidelijk gevoeliger voor de evolutie van de olieprijzen, vanwege haar externe rekeningen en systeem van brandstofsubsidies. Het land importeert een zeer groot deel van de ruwe olie die nodig is, en brandstoffen vormen een belangrijk onderdeel van de consumptie van huishoudens en van het budgettaire kader van subsidies.

Op macro-economisch vlak gaat India deze energieschok dan wel tegemoet in een context van sterke onderliggende groei, maar het blijft structureel een van de meest blootgestelde economieën in de regio bij een duurzame stijging van de wereldwijde olieprijzen. Omdat India meer dan 85% van de oliebehoefte importeert - waarvan ongeveer 45% uit de Golfregio - staat het land opnieuw onder druk wat betreft het tekort op de lopende rekening en de inflatie.

De stijging van de olieprijzen heeft al snel effect op de externe rekeningen: volgens schattingen van analisten zou een Brent-prijs dicht bij 100 USD per vat het tekort op de lopende rekening aanzienlijk verhogen ten opzichte van de basisscenario’s. Een dergelijk scenario zou waarschijnlijk extra neerwaartse druk uitoefenen op de roepie, ook al vormen India’s ruime deviezenreserves een buffer tegen chaotische marktbewegingen.

Ook de binnenlandse inflatiedynamiek kan complexer worden, waardoor de manoeuvreerruimte van de centrale bank voor een monetair versoepelingsbeleid afneemt. Hoewel de autoriteiten eerdere prijsstijgingen aanvankelijk hebben opgevangen via fiscale aanpassingen en subsidies, zou een meer aanhoudende stijging van de wereldwijde energieprijzen uiteindelijk leiden tot een gedeeltelijke doorrekening naar de consument.

Volgens sommige ramingen van economen zou een langdurige stijging van 10% van de olieprijzen de algemene inflatie in India met ongeveer 0,1 tot 0,3 procentpunten kunnen verhogen, afhankelijk van de mate van binnenlandse transmissie, terwijl het tekort op de lopende rekening licht zou toenemen. De groei zou licht worden beïnvloed, aangezien hogere brandstofkosten wegen op de consumptie van huishoudens en op de handelsbalans. Ook de begrotingspositie zou onder druk komen te staan indien aanpassingen aan accijnzen en hogere subsidies nodig zouden blijken om de lasten voor huishoudens te verlichten. Hoewel de groeiperspectieven van India fundamenteel veerkrachtig blijven, zou een scenario van langdurig hoge olieprijzen (“Higher-for-Longer”) de beleidskeuzes rond inflatie, wisselkoersbeheer en begrotingsdiscipline bemoeilijken.

De afgelopen jaren heeft India geprofiteerd van afgeprijsde Russische olie. Om de bevoorrading te stabiliseren, hebben de Verenigde Staten India een vrijstelling van 30 dagen (tot 4 april) verleend, waardoor het zijn aankopen van Russische olie kan voortzetten. Als de verstoringen rond de Straat van Hormuz echter de concurrentie tussen kopers voor deze volumes doen toenemen, zouden deze kortingen kunnen afnemen.

Taiwan

Taiwan gaat de schok van de stijgende energieprijzen tegemoet met een sterke exportdynamiek – de uitvoer steeg in januari met 70% op jaarbasis, gesteund door de vraag naar artificiële intelligentie (AI) en halfgeleiders – maar blijft aanzienlijk blootgesteld aan verstoringen op de energiemarkten.

Bijna de helft van de elektriciteitsproductie in Taiwan is afhankelijk van aardgas, en ongeveer een derde van de LNG-import komt uit Qatar. Het land is dus rechtstreeks blootgesteld aan risico’s bij bijkomende verstoringen van LNG-stromen uit het Midden-Oosten. Analisten merken op dat de consumentenprijsindex in Taiwan historisch met ongeveer 0,2 perocentpunten stijgt voor elke stijging van 10% in de olieprijzen.

Hoewel er neerwaartse risico’s voor de groei ontstaan in het geval van ernstige LNG-tekorten, overwegen de autoriteiten maatregelen voor diversificatie en strategische bevoorrading. Gezien de hogere inflatievooruitzichten, zou de centrale bank er op dit moment voor kunnen kiezen haar beleidsrente op 2% te handhaven in plaats van die te verlagen.

Indonesië

Indonesië staat voor een dubbele uitdaging: het impliciete systeem van brandstofsubsidies beperkt de budgettaire flexibiliteit, en elke significante stijging van de prijzen aan de pomp - wanneer deze gesubsidieerd zijn - zou onmiddellijk doorwerken in de algemene inflatie.

Een langdurige stijging van 10% van de olieprijzen leidt er doorgaans toe dat de inflatie met 0,1 tot 0,2 procentpunten toeneemt, voor zover de detailprijzen stabiel blijven. Analisten waarschuwen echter, indien de budgettaire beperkingen bijvoorbeeld een verhoging van 25% van de prijzen van gesubsidieerde brandstoffen zouden afdwingen, dat de gemiddelde jaarlijkse inflatie richting 5% zou kunnen evolueren - tegenover een niveau van 2% à 3% dat door het Internationaal Monetair Fonds (IMF) in januari werd verwacht.

Een dergelijke ontwikkeling zou de centrale bank ertoe kunnen aanzetten haar eerder accommoderende houding op te geven en een meer defensieve positie in te nemen om de Indonesische roepie (IDR) te stabiliseren. Op begrotingsvlak zou een olieprijs die schommelt tussen 80 en 85 USD per vat het vooropgestelde budgettaire tekort voor 2026 - vastgesteld op 2,7% van het bbp - onder druk zetten, waardoor het dicht in de buurt kan komen van het wettelijke maximum van 3%.

Maleisië

Maleisië, dat in 2025 een groei van 5,2% registreerde, blijft veerkrachtig maar toch blootgesteld door haar afhankelijkheid van een externe vraag, met name vanuit China en de Verenigde Staten. Mocht de stijging van de wereldwijde energieprijzen op de wereldgroei beginnen te wegen, dan zou de Maleisische exportsector daar onvermijdelijk de gevolgen van ondervinden.

Het IMF verwacht een gematigde stijging van de inflatie tot 2,2% in 2026, tegenover 1,6% momenteel, deels onder invloed van de druk die samenhangt met hogere energieprijzen. De centrale bank heeft een verlengde pauze aangekondigd en acht het nu waarschijnlijk dat de volgende renteverhoging pas in 2027 zou plaatsvinden, tenzij er een significante opwaartse verrassing komt op het vlak van groei of inflatie.

De ringgit was vóór het uitbreken van het conflict gestegen ten opzichte van de Amerikaanse dollar, maar de terugkeer van risicomijdend sentiment heeft die dynamiek voorlopig onderbroken. Toch verwachten sommige analisten nog steeds een wisselkoersniveau in de buurt van 3,90 USD/MYR tegen het einde van het jaar.

Illustratieve afbeelding

Andere economieën binnen Zuid-Oost Azië

Andere economieën in Zuid-Oost Azië vertonen specifieke kwetsbaarheden. De Filipijnen behoren tot de landen die het meest gevoelig zijn voor stijgende olieprijzen. Een stijging richting 100 USD per vat zou de centrale bank ertoe kunnen dwingen haar monetaire beleid te verstrakken in plaats van de versoepeling voort te zetten.

Vietnam vertoont, ondanks een sterke groei van de detailhandelsverkopen en export, een van de hoogste transmissiepercentages in de regio tussen ruwe-olieprijzen en inflatie. Historisch gezien leidt een stijging van 10% van de olieprijzen tot een toename van 0,4 procentpunten in de consumentenprijsindex (CPI) en tot een daling van de groei met 0,3 procentpunten. Zelfs in een relatief gunstig scenario, met olie rond 75 USD per vat, zou Vietnam een inflatie van ongeveer 4,5% noteren en een groei van ongeveer 7,5%. Bij sterkere prijsstijgingen zouden renteverhogingen echter noodzakelijk kunnen worden om de dong te ondersteunen

4. Strategische implicaties voor economisch beleid

De schok in de Straat van Hormuz benadrukt de structurele afhankelijkheid van de APAC-regio van energie uit het Midden-Oosten, evenals de sterk uiteenlopende veerkracht van het ene land tot het andere. Hoewel ons basisscenario niet uitgaat van een langdurige onderbreking van de energiestromen, zal het conflict waarschijnlijk invloed uitoefenen op de begrotings- en monetaire strategieën, de kwetsbaarheden in de LNG-logistiek blootleggen en de inspanningen voor langetermijndiversificatie versnellen.

In dit opzicht zou deze schok kunnen fungeren als een structurele katalysator voor de verschuiving van Azië naar grotere energiezekerheid, door regeringen aan te moedigen hun strategieën rond bevoorrading, opslag en coördinatie van kritieke energiebronnen opnieuw te bekijken.

We verwachten een versnelling van de strategische diversificatie van de energie-aanvoer in de regio, gericht op het verminderen van de sterke afhankelijkheid van het Midden-Oosten - onder meer via de uitbreiding van contracten met de Verenigde Staten en Australië, de versterking van pijpleiding- en energienetwerkinterconnecties binnen Azië, en meer investeringen in hernieuwbare energie, nucleaire capaciteit en alternatieve brandstoffen zoals waterstof.

Tegelijkertijd zouden veel regeringen grotere strategische voorraden moeten aanleggen - naar het voorbeeld van de al aanzienlijke strategie van China - terwijl ze hun instrumenten voor markstabilisatie verfijnen, zoals tijdelijke prijsplafonds, subsidiemechanismen en hedging-constructies, om de binnenlandse volatiliteit1 te beperken.

Naast puur nationaal beleid zou deze schok ook de regionale samenwerking kunnen aanwakkeren, onder meer via gezamenlijke opslaginitiatieven, gecoördineerde noodresponsprotocollen en een meer geïntegreerde planning van de toeleveringsketen. Het resultaat zou geen onmiddellijke ontkoppeling van de Golfregio zijn, maar wel de uitbouw van een meer doordachte, multidimensionele veerkrachtstrategie om Aziatische economieën te beschermen tegen toekomstige geopolitieke of aanbod-gerelateerde verstoringen.

5. Gevolgen voor de markten

Een stijging van 10% van de olieprijzen zou de bedrijfswinsten in Azië waarschijnlijk met ongeveer 1% tot 2% verminderen over de komende twaalf maanden: in het algemeen is de beweging duidelijk destructief voor de vraag, al kan ze in bepaalde segmenten gunstig zijn voor de groei. De impact is aanzienlijk sterker voor sectoren zoals luchtvaartmaatschappijen, logistiek, petrochemie en bepaalde industrieën, terwijl hij licht positief kan uitvallen voor de upstream-energiesector en voor sommige financiële instellingen.

Vergelijkend per land bevinden Japan en Zuid-Korea zich in een impactvork van ongeveer -2% tot -3% op de winst per aandeel (WPA) voor elke olieprijsschok van 10%. India, ASEAN en China bevinden zich eerder tussen -1% en -2%, terwijl energie-exporterende markten globaal rond het evenwicht blijven.

Voor bepaalde sectoren zoals luchtvaartmaatschappijen en toerisme zou de WPA met 10% tot 20% (of zelfs meer) kunnen dalen in het geval van een duurzame stijging van 10% van de olieprijzen, afhankelijk van de hedging-strategieën en de tariefaanpassingen - precies daar ligt de echte gevoeligheid van de winsten. De sectoren petrochemie, cement, staal, automotive en productie-industrieën met lage marge zouden dalingen in WPA kunnen registreren variërend van enkele procenten tot meer dan 10 procent wanneer zij geen prijszettingskracht hebben.

De onmiddellijke impact op banken zou beperkt moeten blijven, met enkel secundaire effecten zoals tragere groei en kredietkwaliteit, maar zonder directe gevoeligheid aan de olieprijzen. Omgekeerd zouden spelers in de energiesector, zowel upstream als geïntegreerd, kunnen profiteren van een stijging van de winst per aandeel met enkele procenten, zij het gedeeltelijk afgezwakt in markten waar prijzen gereguleerd worden.

Vanuit een sectoraal perspectief zou de Hormuz-schok, indien de situatie aanhoudt, drie categorieën kunnen creëren: verliezers, mogelijke winnaars en winnaars op de lange termijn.

1) Mogelijke verliezers

  • Luchtvaartmaatschappijen en de reissector staan bovenaan de lijst. Luchtvaartbrandstof vormt een belangrijk onderdeel van hun kostenbasis. Zelfs wanneer er hedgingstrategieën bestaan, drukt een duurzame stijging van de olieprijzen de marges, zeker wanneer de vraag zich nog in een herstelfase bevindt of kwetsbaar blijft.
  • Logistiek en maritiem transport worden geconfronteerd met hogere kosten voor scheepsbrandstof, evenals mogelijke vertragingen door omwegen of door risicopremies voor de oorlogsomstandigheden. Dit kan de marges onder druk zetten, tenzij vrachttarieven snel kunnen worden aangepast.
  • Energie-intensieve sectoren zoals petrochemie, staal, cement, auto-industrie en productie-industrie zien hun variabele kosten toenemen. Wanneer deze bedrijven slechts over beperkte prijszettingskracht beschikken, zijn neerwaartse winstherzieningen te verwachten.

2) Mogelijke winnaars

  • Upstream- en geïntegreerde energiebedrijven, inclusief nationale oliemaatschappijen en gediversifieerde spelers met een blootstelling aan upstream-activiteiten, profiteren van hogere prijzen. De omvang van dit voordeel hangt af van de lokale mechanismen voor prijsregulering, maar deze spelers vormen over het algemeen natuurlijke beschermingen binnen portefeuilles.
  • LNG-infrastructuren en handelaren, evenals landen met LNG-aanvoerketens die niet afhankelijk zijn van de Straat van Hormuz - zoals Australisch LNG bestemd voor Japan en andere delen van Azië - zouden kunnen profiteren van een hogere benuttingsgraad en ruimere marges.
  • Bepaalde nutsbedrijven, vooral met mechanismen om stijgende energiekosten door te rekenen in hun tarieven, kunnen zich relatief defensief gedragen in vergelijking met de bredere markt.

3) Mogelijke winnaars op de lange termijn

  • Hernieuwbare energie, netwerk- en opslaginfrastructuren, evenals thema’s rond energie-efficiëntie winnen aan strategisch belang. Voor beleidsmakers in Japan, Zuid-Korea, China en India versterkt deze episode de noodzaak om de transitie weg van geconcentreerde toeleveringsketens van fossiele brandstoffen te versnellen.

Is uw portefeuille nog aangepast aan de economische realiteit?

Bent u nog geen cliënt?

Word cliënt om te kunnen profiteren van het advies van onze experts.
 

Bent u al cliënt?

Bel ons op 02 551 97 00 om één van onze experten te spreken of maak een afspraak in uw Advisory Center.

Beleggingsproducten zijn onderhevig aan risico’s. Ze kunnen zowel omhoog als omlaag evolueren en de kans bestaat dat de belegger het bedrag van zijn belegging niet recupereert. Elke beleggingsbeslissing moet in overeenstemming zijn met uw Financial ID (beleggersprofiel). Meer info op deutschebank.be/financialid.

Prognoses zijn gebaseerd op veronderstellingen, schattingen, meningen en hypothetische modellen of analyses die onjuist kunnen blijken. Alleen ter illustratie. Dit artikel en de informatie die het bevat vormen geen beleggingsadvies.

In het verleden behaalde resultaten vormen geen betrouwbare indicatie voor toekomstige resultaten. De resultaten hebben betrekking op een nominale waarde op basis van koersmeer- en minwaarden. Er wordt geen rekening gehouden met inflatie. De inflatie heeft een negatieve invloed op de koopkracht van deze nominale geldwaarde. Afhankelijk van het inflatieniveau kan dit leiden tot een reëel waardeverlies, zelfs als het nominale rendement van de belegging positief is.

Ontvang het belangrijkste financiële nieuws per e-mail

Nog geen cliënt? Blijf toch op de hoogte over onze beleggingsopportuniteiten en nieuwigheden binnen onze beleggingsdiensten.
U kunt op elk moment uitschrijven.

Deel dit artikel


Dit zou u ook kunnen interesseren

20 maart 2026

ECB vindt zichzelf goed gepositioneerd, maar erkent inflatierisico’s

Fed: beperkte aanpassingen, toenemende risico’s

19 maart 2026

Fed: beperkte aanpassingen, toenemende risico’s

3 maart 2026

Escalatie in het Midden-Oosten: wat zijn de gevolgen voor de energie- en financiële markten?

1 Volatiliteit verwijst naar hoeveel en hoe snel de prijs van bv. een aandeel, een obligatie, een fonds of een index verandert in de loop van de tijd.

×