Europa lijkt vandaag beter bestand tegen energieschokken dan tijdens de crisis van 2022. Toch blijft die veerkracht deels cyclisch en kwetsbaar voor nieuwe geopolitieke spanningen, hogere energieprijzen en structurele zwaktes in de Europese economie. De centrale vraag is daarom niet alleen hoe goed Europa een eventuele nieuwe schok kan opvangen, maar ook of die veerkracht kan uitgroeien tot duurzame concurrentiekracht.
Europa kreeg in vijf jaar tijd te maken met twee grote verstoringen op de energiemarkt: de schok door de oorlog tussen Rusland en Oekraïne in 2022 en de crisis in de Straat van Hormuz in 2026. Die episode in 2026 bleef tot nu toe minder ontwrichtend, maar dat betekent niet enkel dat Europa volledig veerkrachtig is geworden. Dat we vandaag beter bestand lijken tegen dergelijke situaties, is te danken aan een gunstige macro-economische achtergrond, een kleinere energieprijsschok en minder knelpunten in de toeleveringsketens. Klimaatgerelateerde verstoringen blijven bovendien een bijkomend risico dat energieschokken kan versterken.
Europa kan schokken vandaag beter opvangen omdat de energievoorziening meer gediversifieerd is, de LNG-infrastructuur werd uitgebreid en toeleveringsketens flexibeler zijn geworden. Toch is de beperkte inflatiereactie vooral cyclisch: een zwakkere vraag, minder begrotingssteun en een geloofwaardiger monetair beleid. Duurzame veerkracht vraagt daarom om concurrentiekracht, productiviteit en investeringen vanuit de privésector, en kan niet alleen gedragen worden door beleidsbuffers.
De situatie in Hormuz trof Europa vooral met hogere wereldwijde prijzen en risicopremies, eerder dan met fysieke tekorten. Onze regio is namelijk minder afhankelijk van energie uit het Midden-Oosten: ongeveer 50% van de gasinvoer bestaat vandaag uit LNG, waarvan ongeveer de helft uit de VS komt. LNG uit het Midden-Oosten vertegenwoordigt minder dan 10%. De volatiliteit van de olieprijs blijft echter wel voor risico’s zorgen. Bovendien kan het zijn dat de Europese gasopslag tegen oktober slechts ongeveer 76% van de capaciteit heeft bereikt, ver onder de doelstelling van 90% voor 1 november. Daardoor kunnen de gasprijzen tot in de winter hoog blijven.
In 2022 trof de energieschok een economie die al kampte met een overmatige vraag, krappe arbeidsmarkten en een centrale bank (ECB) die de inflatie aanvankelijk als tijdelijk beschouwde. In 2026 ligt de inflatie al dicht bij de ECB-doelstelling van 2%, zijn de arbeidsmarkten afgekoeld en blijft de begrotingssteun beperkter. De monetaire reactie zal daarom naar verwachting beperkt blijven tot één bijkomende renteverhoging, en niet uitmonden in een langere renteverhogingscyclus. Dit verkleint het risico dat strengere kredietvoorwaarden de groei fors afremmen.
Het conflict rond Hormuz heeft de groeivooruitzichten voor Europa afgezwakt, maar de verschillen tussen landen zijn groot. Duitsland wordt het meest afgeremd door zijn energie-intensieve industrie en zwakke consumptie. De bbp-groei voor 2026 wordt er geraamd op 0,7%, ondanks 58,1 miljard euro aan extra uitgaven uit het Sondervermögen-pakket. Frankrijk is dankzij kernenergie minder blootgesteld, met een verwachte inflatie van 1,8% en economische groei van 0,8% in 2026. Italië kan met 0,8% groeien, maar de hoge schuldgraad en heropbouw van de gasreserves maken het land kwetsbaar. Spanje blijft relatief veerkrachtig, met een verwachte groei van 1,8% in 2026 en een consumptie die wordt ondersteund door de arbeidsmarkt en evolutie van de inkomens.
Europese aandelen hebben hun aanvankelijke verliezen sinds het conflict met Iran meer dan goedgemaakt. Oorspronkelijk bleef het herstel achter op de door technologie gedreven Amerikaanse markt en wogen latere spanningen opnieuw op de prestaties. Maar belangrijker is dat de winstverwachtingen voor de STOXX 600 veerkrachtig zijn gebleven. Door het gewicht van de energiesector in de index van meer dan 6%, gecombineerd met een beperkte algemene blootstelling aan energiekosten van ongeveer 1% van de omzet, was de impact op de totale winst niet negatief. De verwachte winstgroei per aandeel voor de STOXX 600 in 2026 bedraagt 14,3%, met opwaartse herzieningen die vooral door de energiesector worden gedragen.
Herstel Europese aandelen loopt achter op de VS
Europese markten kunnen profiteren als de geopolitieke spanningen afnemen en de verwachtingen voor de wereldwijde groei verbeteren, zeker omdat veel Europese beursgenoteerde bedrijven een groot deel van hun omzet buiten de regio realiseren. Ook een bredere spreiding van beleggingen, weg van de dominante Amerikaanse technologiewaarden, kan Europese aandelen ondersteunen. De regio heeft immers een grotere blootstelling aan industrie, financiële waarden, defensieve sectoren en waarde-aandelen. Toch blijft het opletten voor de gevolgen van de energieschok. Hogere energiekosten wegen op de marges van energie-intensieve activiteiten, en markten blijven kwetsbaar voor nieuwe geopolitieke escalatie of vertraging bij de uitvoering van het beleid.
Naast de cyclische (korte termijn) impact op de winsten groeit Europa’s veerkracht uit tot een structureel beleggingsthema. Overheden en bedrijven investeren vaker in energiezekerheid, defensie, digitale infrastructuur, halfgeleiders en strategische transportnetwerken, waardoor bepaalde sectoren kunnen profiteren. Nutsbedrijven kunnen bijvoorbeeld evolueren van klassieke defensieve dividendbetalers naar begunstigden van investeringen in binnenlandse stroomproductie, elektriciteitsnetten, opslag en elektrificatie. De toenemende vraag naar elektriciteit vanuit datacenters, AI-gerelateerde infrastructuur en hernieuwbare energie kan die trend nog verder versterken. Ook defensiebedrijven zijn goed gepositioneerd nu Europa meer investeert in militaire capaciteiten, defensiemateriaal en cyberveiligheid. Op korte termijn kan de sector lijden onder winstnemingen of hogere inputkosten, maar de langetermijncontext blijft ondersteund door hogere budgetten en een veranderd veiligheidsklimaat.
Er kunnen kansen ontstaan bij specifieke industriële en technologiebedrijven die inspelen op Europa’s streven naar strategische autonomie. Halfgeleiderproductie, automatisering, efficiënt stroombeheer, netapparatuur, cyberveiligheid, cloudinfrastructuur en digitale netwerken blijven waarschijnlijk beleidsprioriteiten. Dat betekent echter niet dat Europese aandelen in het algemeen worden ondersteund. Het wijst eerder op een selectieve markt, waarin bedrijven die blootgesteld zijn aan investeringen in veerkracht, veilige toeleveringsketens en kritieke infrastructuur beter gepositioneerd zijn dan ondernemingen waarvan de concurrentiekracht wordt ondermijnd door structureel hoge energiekosten of een zwakke productiviteitsgroei.
Europa is beter geplaatst dan in 2022 om een acute energieschok op te vangen, omdat de energiebronnen meer gediversifieerd zijn, de LNG-capaciteit werd uitgebreid en toeleveringsketens zich hebben aangepast. Maar het resultaat in 2026 weerspiegelt ook een kleinere schok en gunstigere macro-economische omstandigheden. Structureel hogere energiekosten, zwakkere industriële concurrentiekracht en onvoldoende productiviteitsgroei blijven wegen op de vooruitzichten op middellange termijn, vooral voor energie-intensieve sectoren en economieën met een grote maakindustrie.
Voor beleggers is de boodschap selectief: uitgaven voor veerkracht kunnen nutsbedrijven, defensie, infrastructuur, industrie en delen van de technologiesector ondersteunen. Maar een brede en duurzame stijging van Europese aandelen vraagt om sterkere productiviteit, lagere structurele kostendruk en een heropleving van de investeringen vanuit de privésector. Voor beleidsmakers ligt de prioriteit aan de aanbodzijde: betaalbare energieprijzen, snellere vergunningen, beter ontwikkelde kapitaalmarkten, een groter arbeidsaanbod, open handel en duidelijke regels die concurrentie en innovatie stimuleren. Zonder die elementen dreigt veerkracht reactief en afhankelijk van overheidssteun te blijven, in plaats van uit te groeien tot een bron van duurzame groei.
Beleggingsproducten zijn onderhevig aan risico’s. Ze kunnen zowel omhoog als omlaag evolueren en de kans bestaat dat de belegger het bedrag van zijn belegging niet recupereert. Elke beleggingsbeslissing moet in overeenstemming zijn met uw Financial ID (beleggersprofiel). Meer info op deutschebank.be/financialid.
Prognoses zijn gebaseerd op veronderstellingen, schattingen, meningen en hypothetische modellen of analyses die onjuist kunnen blijken. Alleen ter illustratie.
Dit artikel en de informatie die het bevat vormen geen beleggingsadvies. Rendementen uit het verleden zijn geen betrouwbare indicator voor toekomstige rendementen.
Nog geen cliënt? Blijf toch op de hoogte over onze beleggingsopportuniteiten en nieuwigheden binnen onze beleggingsdiensten.
U kunt op elk moment uitschrijven.
1 De term "fonds" is de gebruikelijke benaming voor een Instelling voor Collectieve Beleggingen (ICB), die kan bestaan onder het statuut van een ICBE (UCITS) of een AICB (niet-UCITS), en die diverse rechtsvormen kan aannemen (bevek, GBF enz.). Een ICB kan compartimenten bevatten. De fondsen zijn onderhevig aan risico’s. Ze kunnen zowel stijgen als dalen en mogelijk krijgen beleggers het bedrag van hun belegging niet terug.