Dit artikel is gebaseerd op de publicatie van het Deutsche Bank Research Institute ‘The end of the safety net: Life without the macroeconomic stabilisers’, gepubliceerd op 28 september 2026.
Het macro-economische vangnet is niet verdwenen, maar wel kleiner geworden: overheidssteun is vandaag meer voorwaardelijk en minder voorspelbaar. Ons basisscenario blijft dat van een veerkrachtige economie die niet onmiddellijk steunmaatregelen nodig heeft. Maar naarmate de manoeuvreerruimte voor het beleid afneemt, wordt toekomstige steun minder vanzelfsprekend. Dat onderstreept het belang van kwaliteit, diversificatie en veerkracht in portefeuilles.
Decennialang konden de wereldeconomie en de financiële markten rekenen op de impliciete steun van overheden. Wanneer de groei vertraagde, verlaagden centrale banken hun beleidsrente en injecteerden ze liquiditeit, terwijl overheden hun tekorten lieten oplopen om de terugval op te vangen. Deze monetaire en budgettaire stabilisatoren hielpen om de economische cyclus af te vlakken en zowel het vertrouwen als de waardering van activa te ondersteunen. Vanaf het einde van de jaren 1980 werden ze steeds vaker ingezet, met een hoogtepunt tijdens de coronapandemie: de balansen van centrale banken namen sterk toe en overheden boekten tekorten die in vredestijd uitzonderlijk waren.
Sindsdien is de context veranderd. Inflatie vormt opnieuw een belangrijke beperking, terwijl de overheidsschuld en de rendementen op staatsobligaties aanzienlijk hoger liggen dan vóór de pandemie. Beleidsmakers beschikken nog altijd over instrumenten, maar moeten bij het gebruik ervan moeilijkere afwegingen maken. Overheidssteun, die vroeger snel en relatief goedkoop kon worden ingezet, dreigt daardoor trager, gerichter en meer voorwaardelijk te worden.
In de jaren 2010 bleef de inflatie vaak onder de doelstellingen van de centrale banken. Door de globalisering, de uitbreiding van de wereldwijde beroepsbevolking en de beperkte prijsdruk konden zij de rente verlagen wanneer de economische activiteit vertraagde. De pandemie en de daaropvolgende aanbodschokken betekenden een breuk met dit regime. Een inflatie boven de doelstellingen dwong centrale banken om prijsstabiliteit voorrang te geven, zelfs wanneer de groeirisico’s toenamen.
Dat betekent niet dat monetaire versoepeling uitgesloten is. Wel ligt de drempel om in te grijpen hoger wanneer de inflatie aanhoudt of het gevolg is van aanbodbeperkingen. Renteverlagingen die de vraag moeten ondersteunen, kunnen dan averechts werken: ze kunnen de prijsdruk verhogen of het vertrouwen aantasten in het vermogen van centrale banken om hun inflatiedoelstelling te halen. Hun traditionele steun is daardoor minder vanzelfsprekend en minder voorspelbaar geworden.
Ook het begrotingsbeleid botst op beperkingen. De financieringskosten van overheden zijn gestegen (zie grafiek), terwijl de schuldgraden in veel ontwikkelde economieën hoger liggen. Daardoor nemen de rentelasten een steeds groter deel van de overheidsmiddelen in beslag. Nieuwe leningen kunnen bovendien de obligatierendementen verder opdrijven of de private economische activiteit verdringen. Tot slot beperken de al hoge tekorten het vermogen van overheden om omvangrijke stimuleringsmaatregelen te nemen vanuit een toch al kwetsbare uitgangspositie.
Inflatie maakt de situatie nog complexer. Wanneer de economische zwakte het gevolg is van aanbodbeperkingen en niet van een ontoereikende vraag, dreigt brede begrotingssteun eerder de prijzen dan de productie te stimuleren. Daardoor neemt ook de kans op monetaire verkrapping toe. Toch heeft het begrotingsbeleid zijn slagkracht niet verloren. Overheidsuitgaven kunnen de groei en strategische investeringen nog steeds ondersteunen. Het cruciale onderscheid ligt tussen steun op korte termijn en de afnemende budgettaire flexibiliteit op langere termijn, naarmate de kosten voor de schuldendienst stijgen.
10-jaarsrente op hoogste peil sinds decennia in meerdere landen
Eerdere periodes tonen wat er kan gebeuren wanneer economische stabilisatoren beperkt zijn. Onder de goudstandaard van vóór de Eerste Wereldoorlog was het monetaire beleid gekoppeld aan de convertibiliteit van valuta’s en streefden overheden doorgaans naar een begroting in evenwicht. In de jaren 1970 zorgden opeenvolgende aanbodschokken en hoge inflatie voor een dilemma: een soepeler monetair of begrotingsbeleid dreigde de inflatie aan te wakkeren, terwijl een restrictiever beleid de economische activiteit afremde. Beide periodes gingen gepaard met grotere macro-economische instabiliteit.
De huidige situatie valt met geen van beide regimes te vergelijken. Valuta’s zijn niet langer aan goud gekoppeld, beleidsmakers beschikken over een ruimer instrumentarium en de inflatie blijft ruim onder het niveau van de jaren 1970. De les is dus niet dat de overheidssteun verdwenen is, maar dat de afwegingen complexer zijn geworden dan in de voorbije vier decennia. Dat kan leiden tot een minder gunstige omgeving, met vaker periodes waarin de doelstellingen voor groei, inflatiebeheersing en financiële stabiliteit het beleid in verschillende richtingen duwen.
Minder voorspelbare overheidssteun wijst op een structureel hogere macro-economische en financiële volatiliteit1. De gelijktijdige daling van aandelen en obligaties in 2022 toonde aan dat een inflatieschok de traditionele beschermende rol van kwaliteitsvolle staatsobligaties tegenover aandelen kan ondermijnen.
Voor beleggers is het antwoord niet om zich uit de markten terug te trekken, maar om selectiever belegd te blijven. Op de obligatiemarkten kunnen aantrekkelijke rendementen aanzienlijke inkomsten opleveren. Toch blijven de kwaliteit van de emittenten en het beheer van de looptijd essentieel, gezien de onzekerheid over de inflatie en de financieringsbehoeften van overheden. Op de aandelenmarkten zullen een sterke balans, prijszettingsmacht en duurzame winsten waarschijnlijk belangrijker worden in een cyclus die minder door overheidssteun wordt gedragen. Diversificatie moet verder gaan dan de klassieke combinatie van aandelen en obligaties en kan ook een passende blootstelling aan reële activa, goud en andere rendementsbronnen omvatten. Structurele groeithema’s blijven aantrekkelijk, maar effectenselectie en waarderingsdiscipline worden doorslaggevender.
Het vangnet van de overheid is kleiner geworden, maar niet verdwenen. Dat pleit voor een aanpak die tegelijk constructief en selectief is: kansen benutten die voortvloeien uit de veerkracht van de economie en uit langetermijntrends, én portefeuilles opbouwen die beter bestand zijn tegen inflatieverrassingen, stijgende rendementen en sterkere economische schommelingen.
Beleggingsproducten zijn onderhevig aan risico’s. Ze kunnen zowel omhoog als omlaag evolueren en de kans bestaat dat de belegger het bedrag van zijn belegging niet recupereert. Elke beleggingsbeslissing moet in overeenstemming zijn met uw Financial ID (beleggersprofiel). Meer info op deutschebank.be/financialid.
Prognoses zijn gebaseerd op veronderstellingen, schattingen, meningen en hypothetische modellen of analyses die onjuist kunnen blijken. Alleen ter illustratie. Dit artikel en de informatie die het bevat vormen geen beleggingsadvies.
Rendementen uit het verleden zijn geen betrouwbare indicator voor toekomstige rendementen. Resultaten verwijzen naar een nominale waarde op basis van koerswinsten en-verliezen. Daarbij wordt geen rekening gehouden met inflatie. Inflatie heeft een negatieve invloed op de koopkracht van deze nominale monetaire waarde. Afhankelijk van het inflatieniveau kan dat leiden tot een reëel waardeverlies, zelfs als de nominale prestaties van de belegging positief zijn.
Nog geen cliënt? Blijf toch op de hoogte over onze beleggingsopportuniteiten en nieuwigheden binnen onze beleggingsdiensten.
U kunt op elk moment uitschrijven.
1 Volatiliteit verwijst naar hoeveel en hoe snel de prijs van bv. een aandeel, een obligatie, een fonds of een index verandert in de loop van de tijd.